Het eerste werk van deze band, Improvisatie over “’k Wil U, o God! mijn dank betalen” schreef Albert de Klerk voor het echtpaar L. Middelkoop, bij wie hij in de barre oorlogswinter 1944/45 onderdak vond.
Buitengewoon gehecht was Albert de Klerk aan zijn Paraphrase over “Vexilla Regis”, een sfeervolle compositie waarin De Klerks contrapuntisch meesterschap ten volle tot uiting komt. Hoezeer het werk hem ter harte ging blijkt uit de vele versies, die hij jaren na het ontstaan nog beproefde voor de laatste paar maten, en uit het feit dat hij de compositie kort voor zijn overlijden nog eens in het net schreef.
Omstreeks 1955 is Albert de Klerk opnieuw intensief bezig met contrapunt. In zijn schetsboeken zijn vele polyfone oefeningen te vinden, resulterend in Vijf polyfone studies over gregoriaanse melodieën, die door mij naar het kerkelijk jaar gerangschikt zijn.
Rond 1960 verschenen bij Christophorus-Verlag Herder te Freiburg drie banden met orgelparaphrases over het proprium van het gehele kerkelijk jaar. Albert de Klerk leverde daarvoor vijf bijdragen, maar voor enkele gezangen componeerde hij de alternatieven, die in deze bundel te vinden zijn. Ook voor bevriende relaties schreef hij nog twee sets, In Nativitate Domini (ad missam in nocte) en Dominica Resurrectionis.
De variaties over Psalm 95 en 150 verschenen in 1962 bij De Crans in Antwerpen.
De Noël “Joseph est bien marié” is oorspronkelijk een duet voor hobo en fagot, dat zonder enig bezwaar als orgelwerk kan worden uitgevoerd.
Geheel in de stijl van de Octo Fantasiae uit 1953 zijn de Tres Hymni, prachtige intieme orgelstukken, die Albert de Klerk in 1981 aanbood aan pastoor J. Duijves bij zijn 60-jarig priesterfeest. Pastoor Duijves was omstreeks 1955 voorzitter van een commissie die voor uitgeverij Gooi & Sticht liederen schreef ten behoeve van de zondagse liturgie. Behalve Albert de Klerk maakten o.a. Jan Mul, Herman Strategier, Michel van der Plas en twee vooraanstaande theologen deel uit van deze groep.
In het laatste werk, Variaties over “God is mijn lied” op een melodie van C.Ph.E. Bach, kunnen we de rijke variatiekunst van Albert de Klerk in al zijn glorie bewonderen.
Titels die door mij bedacht zijn, omdat die in de manuscripten ontbraken, heb ik in de inhoud cursief gezet.
Mijn erkentelijkheid gaat uit naar Brigit de Klerk, Gemma Coebergh en Gonny van der Maten, die aan de totstandkoming van deze uitgave een belangrijke bijdrage hebben geleverd.
Lourens Stuifbergen